De babykleertjes werden veranderd in een strak topje van bladeren en een groene tule rok. Hij droeg een krans of puntige oren op zijn hoofd. Op zijn rug groeiden een paar kristalheldere vleugeltjes. In zijn hand hield hij een klein toverstafje. De omgeving veranderde in een bos en hij vloog de lucht in terwijl hij naar de camera keek.